Uit: Het verhaal van Brenn.

Brenn zat in de tuin en probeerde een boek te lezen. Hij kon zijn gedachten er niet goed bij houden. Hij moest nadenken over wat hij had meegemaakt. Het was nu begin augustus. Zij waren net terug gekomen van een vakantie in het Lake District in Engeland. Zijn ouders hadden voor twee weken een huisje gehuurd. Brenn had de natuur prachtig gevonden. Hij had ook veel gezwommen in het meer bij het huisje. Het water was prachtig helder geweest. Ken en Winston, twee broers twee jongens uit Newcastle, waren er ook met vakantie. Met z’n drieën hadden ze regelmatig wandelingen door de omgeving gemaakt. Ken was de oudste van de twee en hij studeerde biologie. Hij vertelde Winston en Brenn over de planten, vissen en vogels die zij zagen. Ken wist er veel van en vond het leuk erover te vertellen. Winston had Brenn verteld dat Ken leraar wilde worden. Net als hun vader. De jongens hadden een heerlijke vakantietijd met elkaar gehad. Brenn had zijn jo meegenomen. Hij deed elke ochtend oefeningen op een stille plek in het bos vlak bij het huisje waar zij verbleven. Hij wist goed dat hij het heerlijk vond te bewegen. Als hij klaar was met zijn oefeningen pakte hij zijn zwemspullen en wandelde naar het meer. Daar waren Ken en Winston vaak al. Ze zwommen dan vrij lang met elkaar. Eén keer hadden ze met elkaar het hele meer over gezwommen. Aan de overkant van het meer hadden ze een tijd gezeten op de kant gezeten voordat ze terug gezwommen waren. Het uitzicht over het meer was prachtig geweest.

Na het middageten ging Brenn meestal met zijn ouders wat doen of weer met zijn Engelse vrienden zwemmen of wandelen. Op één middag was Brenn alleen gaan wandelen. Zijn Engelse vrienden gingen die middag met hun ouders mee een autotocht door de omgeving maken. Zijn eigen ouders wilden aan het meer zitten en hun boeken lezen. Het was erg warm geweest die middag. Brenn had het plan opgevat om het meer rond te gaan wandelen. Hij was eerst omhoog gelopen tegen de berg op, hij wilde over het hele meer uitkijken. Het was erg rustig.  Voor veel mensen waarschijnlijk te warm dacht Brenn. Tijdens zijn tocht omhoog had hij gemerkt dat het steeds stiller geworden was. Hij was geen andere mensen tegengekomen, maar dat was niet de reden geweest waarom hij gemerkt had dat het stiller werd. Er waaide geen wind en de natuur was verstild. De vogels in de bomen waren ook stil. Hij kwam boven op de berg aan en wilde naar de rand lopen voor het uitzicht over het meer. De lucht was strakblauw zag hij. Terwijl hij naar de rand liep veranderde er iets. In hem, in de omgeving, in alles. Misschien was dat al eerder gebeurt besefte hij maar had hij er niet eerder aandacht aan gegeven. Hij liet het over zich heen komen en kon en wilde zich niet verzetten. Hij was niet bang. De lucht voelde dikker en proefde witter bij elke stap en inademing. Alsof het hem opnam. Alsof het hem overnam. Hij bleef staan. Hij voelde zich één worden met de rotsen waar hij op stond en met de bomen om zich heen. Hij keek voor zich uit maar nam de blauwe lucht niet meer waar. Hij staarde in een oneindig niets. Het absolute totale niets. Hij voelde heel sterk dat hij deel was van iets veel groters. Een werkelijkheid en verbinding, zo diep, dat had hij nooit had kunnen beseffen. Hij voelde alsof hij een kind van vier jaar was. Hij herkende dat hij dit gevoel toen ook gehad had. Niet zo sterk als deze keer. En eigenlijk altijd ergens in hem aanwezig. Alsof hij en iedereen en al het leven deel van iets gemeenschappelijks was. Iets dat hij nu in de leegte waarin hij staarde kon voelen. Het leek hem een oneindige leegte zonder begin en zonder einde. Waar alles uit kwam en waar alles in verdween. Met tijd alleen als een fysieke dimensie hiervan, het enige dat mensen ervan konden waarnemen. Brenn voelde zich heel rustig. De stilte was een genot voor zijn oren. Kleuren in het oneindige niets leken voor zijn ogen langzaam rond te draaien. Te golven. Kleuren die hij nog nooit gezien had en waarvoor hij ook geen woorden had. Brenn stak zijn hand uit, alsof hij iets wilde aanraken maar hij voelde niets. En zo bleef hij staan. Tijdloos. Eindeloos. Plotseling klonk er een schelle schreeuw boven hem. Brenn schrok. Zijn beeld was direct scherp. Hij keek omhoog. Boven hem zweefde een grote roofvogel door de blauwe lucht een rondje over hem heen. De vogel keek hem scherp aan en schreeuwde weer. Een prachtig geluid vond Brenn. Brenn keek verder om zich heen. Hij haalde adem. Hij voelde zijn voeten op de grond staan. Hij keek ernaar. Op zijn horloge zag hij dat het al vijf uur in de middag was geworden. Brenn keek weer voor zich uit. Hij was weer terug in het heden en de realiteit besefte hij. Er was helemaal niemand. Hij realiseerde zich dat hij daar bijna vier uur had gestaan. De roofvogel vloog weg. Brenn hoorde zijn schreeuw nog een paar keer. Hij bleef nog even verbaasd staan om na te denken over wat hij ervaren had. “Ik ben een mens, ik ben een mens” schoot door zijn hoofd. Hij was zeker en draaide zich om. Met een stevige stap begon hij aan zijn tocht terug naar zijn ouders.